
Het vergeten kind
Ik was het jongste kind van mijn ouders. Boven mij zat een broer die vijf en een half jaar ouder was. Voor de buitenwereld waren wij een gewoon gezin: vader, moeder, een jongen en een meisje. Een koningskoppel, zei men vroeger. Inmiddels weet ik dat ook mijn ouders hun eigen trauma’s met zich meedroegen. Het gezin dat van buitenaf zo compleet leek, was in werkelijkheid kwetsbaarder dan men kon zien.Jaren later vertelde mijn moeder mij dat mijn broer als baby vaak ziek was. In de jaren zeventig was er een trend dat moeders hun kind de fles gaven. Je was als ouder “modern” als je dat deed. Over koemelkallergie was toen nog weinig bekend en achteraf is het heel goed mogelijk dat hij daar last van had. Maar goed, we gaan verder.
De eerste en tegelijkertijd laatste herinnering die ik aan mijn broer heb, is de dag waarop hij overleed. Ik was vier en een half jaar oud. Wat ik me nog herinner, is dat het een dag was waarop er kindertelevisie was. Geen 24 uur per dag zoals tegenwoordig, maar slechts twee dagen per week en dan maar een paar uur. De jeugd van nu kan zich dat bijna niet meer voorstellen.
Mijn broer lag op de bank te slapen omdat hij zich niet lekker voelde. Toen mijn moeder hem wakker wilde maken om zijn favoriete programma te kijken, lukte dat niet. Het drama dat daarna ontstond zal ik hier niet beschrijven.
Wat ik nog weet, is dat ik achter de bank stond en geen idee had wat er gebeurde. In een volgende herinnering sta ik bij de buren voor het raam en zie ik de ambulance voorbijrijden. Weer een andere herinnering: we zijn boven, in de kamer van mijn broer. Hij ligt in bed en er staan bloemen om hem heen. Ik zit op de arm van één van mijn ouders.
Op 25 februari wordt mijn broer begraven. Ik ben daar niet bij. In die tijd was het advies aan ouders om kleine kinderen weg te houden bij dit soort gebeurtenissen. Ik heb dus nooit bewust afscheid kunnen nemen.
Zijn kamer was leeg. Mijn ouders waren intens verdrietig. Er werd niet over gesproken en de spanning in huis was voelbaar. Als kind voelde ik instinctief dat ik mijn mond moest houden. Ik wilde niet dat mijn moeder opnieuw moest huilen als ik mijn verwarring of verdriet liet zien. Dus maakte ik mijn eigen verdriet onzichtbaar. Ik was braaf, stil en deed geen gekke dingen. Mijn moeder hoefde zich geen zorgen over mij te maken. Wanneer je op jonge leeftijd zo’n overlevingsstrategie ontwikkelt, kan die zich jarenlang vastzetten zonder dat je je daar bewust van bent.
Het hoofdstuk van het overlijden van mijn broer werd in mijn hoofd nooit echt afgesloten. Zelfs jaren later, ik denk dat ik een jaar of tien was, geloofde ik lange tijd dat een jongetje dat bij ons in de buurt kwam wonen eigenlijk mijn grote broer was. Ook daar sprak ik natuurlijk met niemand over.
Pas veel later, toen ik in aanraking kwam met systemisch werk, begon ik te begrijpen wat er werkelijk speelde. In een familiesysteem heeft iedereen zijn eigen plek — ook degenen die er niet meer zijn. Mijn broer hoorde er nog steeds bij, maar zijn plek was stil en onzichtbaar geworden. Als kind voelde ik dat feilloos aan. Onbewust probeerde ik het verdriet van mijn ouders niet groter te maken door zelf zo weinig mogelijk ruimte in te nemen.
In systemisch werk wordt zichtbaar dat wat niet wordt gezien, vaak door een ander in het systeem wordt gedragen. Zonder dat ik het wist, droeg ik een stukje van wat er niet uitgesproken werd. Pas toen mijn broer weer een zichtbare plek kreeg in ons familiesysteem, kon ik mijn eigen plek werkelijk gaan innemen. Niet langer als het stille, brave meisje dat niemand tot last wilde zijn, maar als mijzelf.
